cultuurministers

VLAAMSE CULTUURMINISTERS DIENAREN VAN HETZELFDE BELEID?

Ellen Loots Vizier Blog Leave a Comment

Op 18 december 2014 vond in Bozar een bijzonder debat plaats tussen drie Vlaamse cultuurministers, georganiseerd door Folio, een nieuwe tijdschriftenkoepel. Radiomaker Werner Trio modereerde het gesprek tussen Luc Martens (minister 95-99), Bert Anciaux (minister 99-02 & 04-09) en Sven Gatz (minister sinds 2014).* Het was een gemoedelijke avond, wat blijkt uit de volgende impressie.**

Het debat ging frisjes van start, met de vragen wat een cultuurminister nu bijzonder maakt (een ‘vertegenwoordiger van het immateriële’), en of het daadwerkelijk de laatste post is die verdeeld wordt onder de verkiezingswinnaars (‘ja’). De ministers werden lichtjes geprovoceerd door de patstelling, die ze trouwens zelf suggereerden, of een cultuurminister een vertegenwoordiger is van de bevolking, of van de sector. ‘Een minister is geen vertegenwoordiger maar een dienaar’, leek het ontwijkende antwoord.

Al vroeg in het gesprek kwam naar boven dat de continuïteit in het Vlaamse cultuurbeleid groter is dan de verschillen of breuklijnen, ondanks de alternerende partijpolitieke achtergronden van de opeenvolgende Vlaamse cultuurministers. Dit is een opmerkelijke vaststelling, aangezien het fenomeen van beleidsinflatie (de neiging om almaar nieuwe beleidsprioriteiten en –maatregelen voor te stellen, al is het maar om te breken met het beleid van anders gekleurde voorgangers***) op andere domeinen wel geregeld de kop opsteekt. Maar, zo werd verteld, cultuurministers koesteren cultuur; en wie per se herkozen wil worden, zoekt zijn heil beter in andere beleidsdomeinen. Een aanvullende verklaring voor de continuïteit in het Vlaamse cultuurbeleid zou kunnen liggen in het gegeven dat het lang en vaak (altijd?) taalstrategisch geweest is: een gemeenschappelijk doel (‘de Vlaamse ontvoogding’) kreeg de opeenvolgende neuzen zonder veel krachttoeren in dezelfde richting. Een halve eeuw Vlaams cultuurbeleid laat zich dus lezen als een incrementele ontwikkeling, grotendeels path-dependent, met enkel accentverschuivingen.

De eensgezindheid tussen de aanwezige cultuurministers leidde tot dialoog en zelfkritiek eerder dan tot een discussie. Zo werd erkend dat rond de eeuwwisseling een democratisering van verschillende domeinen in de samenleving succesvol leek te zijn, terwijl dit nog niet het geval was voor kunst en cultuur, dat nochtans ‘een schitterende, essentiële sector is voor de ontplooiing van mensen’. Een ‘verbreding’ van de sector werd toen geagendeerd, wat betekende dat iedereen de kans zou moeten krijgen om te participeren. Die ultieme doelstelling is (nog) niet bereikt,Vlaanderen is op dit punt geen uitzondering. Een minister schoof naar voren dat het algemene beleid ten aanzien van een etnisch-cultureel diverse samenleving almaar koeler en functioneler wordt, terwijl er 50 jaar geleden een ‘meer open en warme politiek’ gevoerd werd. In die functionele (en instrumentele) beleidsomgeving wordt een inclusief cultuurbeleid een van de uitdagingen van de huidige cultuurminister, die onder meer de regelgeving rond sociaal-cultureel werk wil aanpakken. Onderdeel van de discussie werden dan concrete punten zoals: moeten alle gesubsidieerde cultuurhuizen zich met een sociale omgang met kunst en cultuur inlaten (‘men moet de instelling verlaten’ vs. ‘ze worden verweten te politiek te zijn’), en moet projectmatig werk per se structureel verankerd worden.

Een andere uitdaging voor de huidige cultuurminister –wellicht een constante van het cultuurbeleid– is financieel van aard, zeker nu de (‘kostelijke’) digitalisering van diverse aspecten van de samenleving zich opdringt. Budgetten die de vraag naar ondersteuning niet kunnen tegemoetkomen, leiden tot spanning tussen het ondersteunen van (of investeren in) gevestigde waarden en steun aan talentontwikkeling en nieuwkomers. De huidige minister plant een aantal beheersovereenkomsten met grote instellingen af te sluiten, die nog meer dan nu doorstroommogelijkheden moeten creëren. Ik was blij met twee reacties. Een minister zag in deze maatregel ook risico’s, en met name dan dat jong talent zich zou zetten naar de smaak van de instelling waar het onderdak vindt, en als zodanig ‘gemarineerd’ zou worden. Verder werd er opgemerkt dat het experiment niet per se gebonden is (moet worden) aan leeftijd; en dat er vele beroepsgroepen zijn waarin experimenteren moeilijk is (lees: waarin de omstandigheden het niet toelaten, terwijl het misschien wel wenselijk is). De teneur van een tiental minuten was dus dat er ook zuurstof gegeven moet worden aan het veld, en dat niet alles in een ‘moule’ gegoten moet worden.

Ik verwacht dat de nieuwste minister geconfronteerd zal worden met uitdagingen die enerzijds te maken hebben met het stellen en realiseren van beleidsprioriteiten, omdar er intussen veel subsectoren zijn die ressorteren onder het cultuurbeleid in Vlaanderen en die allemaal evolueren. Anderzijds zal beleidsaandacht moeten gaan naar het actualiseren van een instrumentarium dat door de jaren heen werd ontwikkeld en waarop mogelijk sleet gekomen is. Politieke wetenschappers hebben er al op gewezen dat politieke rationales en het instrumentarium dat daarop ontwikkeld wordt, twee verschillende zaken zijn, die niet automatisch bij elkaar aansluiten. En dat het instrumentarium een eigen leven kan leiden, zonder dat het nog duidelijk is wat dat feitelijk tot doel had. Voorts suggereerden de cultuurminnende ministers dat er op de toekomst geanticipeerd zal moeten worden (de verwachte herstructurering van België kondigt budgettaire verschuivingen aan die mogelijk nefast zijn voor het cultuurbudget).

De huidige cultuurminister heeft zichzelf opgelegd om in het voorjaar van 2015 met een strategische visienota (2 beloften: visie + strategie) naar buiten te komen en om het bestaande kunstendecreet nog dit jaar aan te passen. We betwijfelen of er in de coulissen verder ingegaan is op de suggestie van een andere minister om de decreetswijziging met een jaar uit te stellen.

 

Ellen L.

* Karel Poma werd ook verwacht als spreker, maar moest om medische redenen verontschuldigen.
** een impressie is geen verslag, maar hier een gemoedelijke beschrijving van wat een gemoedelijke avond was. Deze insteek verklaart bijvoorbeeld onze vrije omgang met citaten, het gebrek aan bronvermeldingen en een selectie van thema’s die we zelf het meest relevant vinden.
*** vrij naar een observatie door Pim van Klink in zijn dissertatie uit 2005

Verder lezen: www.foliotijdschriften.be
Verder luisteren: www.klara.be (programma’s, zaterdag, Trio)

Ellen LootsVLAAMSE CULTUURMINISTERS DIENAREN VAN HETZELFDE BELEID?

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *